“Denk zo groot je wil, maar handel klein” (F. Starik)

“Denk zo groot je wil, maar handel klein” (F. Starik)

Huis de Pinto: het prachtige gebouw dat bleef staan toen de buurt er omheen gesloopt werd voor de aanleg van de Metro. Een symbool van het verzet van de bewoners tegen de nietsontziende stadsvernieuwing en, tot 2012, geliefde buurtbibliotheek. Die verdween omdat, met de komst van de nieuwe Centrale OBA op het Oosterdokseiland steeds minder mensen naar de Pintobieb kwamen.

Dat de bibliotheek verdween vond ik goed te verdedigen maar we wilde wel graag de plek behouden waar veel mensen uit de buurt graag naar toe kwamen. Een groep buurtbewoners nam gelukkig het initiatief en in 2014 opende het nieuwe Huis de Pinto de deuren. Boven huurt de Waag Society kantoren en beneden is er een leeszaal, een ruilbibliotheek en een rijk programma met lezingen, uitvoeringen en bijeenkomsten, mogelijk gemaakt door de inzet van 75 vrijwilligers. Stadsdeel Centrum betaalt alleen nog de huur een klein beetje subsidie voor exploitatie.

Bij de opening droeg F Starik, voormalig stadsdichter, een gedicht voor dat het roemruchte verleden van het gebouw en de buurt verbindt met de inzet van de mensen die de buurtbibliotheek wilden behouden en uiteindelijk de nieuwe invulling mogelijk maakten. Het gedicht hangt nu, prominent boven de schouw, in de kleine vergaderkamer. Ik ken niet veel gedichten over burgerparticipatie. Ik vind het prachtig.

 

 

Duivels dilemma

Duivels dilemma

Amsterdam is in veel opzichten een ideale stad: vrijzinnig, tolerant, sociaal en ondernemend met een prachtige, monumentale binnenstad, een rijk en divers aanbod aan voorzieningen en een unieke mix van wonen, werken en recreëren.  Een stad waar mensen graag willen wonen maar ook een stad die mensen graag komen bezoeken en dat is precies waar de aantrekkingskracht van Amsterdam zichzelf in de staart bijt. Zoals de oververhitte woningmarkt de gemengde stad onder druk zet, zo zet de enorme stroom toeristen en bezoekers de kwaliteit van leven en de functiemenging onder druk. Het is de paradox van de ideale stad: de aantrekkingskracht is van levensbelang voor een vitale, moderne wereldstad en tegelijkertijd is de enorme druk, die daar het gevolg van is, de doodsteek voor de leefbaarheid.

Het beeld van 25 miljoen bezoekers en toeristen die Amsterdam in 2025 zullen overspoelen is niet meer weg te denken uit de discussie over de toekomst van de stad. Maar juist de paradox maakt het probleem taai. De oplossing kan immers niet zijn dat we de ambitie van de ideale stad laten varen. Zo zijn er best kanttekeningen te maken bij het idee om bezoekers meer over de stad te spreiden, je creëert dan immers ruimte voor meer toeristen die toch ook allemaal naar het centrum willen. Het is echter onvoorstelbaar dat we stoppen met de investeringen die nodig zijn om bezoekers te spreiden: goed openbaar vervoer, aantrekkelijke voorzieningen en hoogwaardige openbare ruimte, juist buiten het Centrum. Dat zijn immers investeringen die allereerst de Amsterdammers zelf ten goede komen.

Dat de toenemende drukte een probleem is wordt inmiddels gelukkig vrij algemeen erkend en het College doet een aantal goede voorstellen om de problemen het hoofd te bieden: verhoging van de toeristenbelasting, minder nieuwe hotels en betere handhaving van illegale woningonttrekking. Maar, als we de koers willen bijstellen voordat de wal het schip keert, dan moeten we nog scherpere keuzes maken. Volgens mij moeten we ons daarbij in de allereerste plaats laten leiden door de vraag wat waarde toevoegt aan de stad.

Laten we duidelijk zijn: meer toerisme heeft te weinig toegevoegde waarde om op zichzelf na te streven. Het economisch rendement is laag en komt bijna uitsluitend ten goede aan de vastgoedeigenaren. Het maatschappelijk rendement is zo langzamerhand negatief. Daar staat tegenover dat veel andere vormen van kortdurend verblijf, van zakelijke bezoeker en congresganger tot expat en moderne high-tech nomade, wel zoveel waarde toevoegen aan de stad dat je er ruimte aan moet willen bieden. Bovendien past het niet bij onze partij om Amsterdam simpelweg onbetaalbaar te maken voor bezoekers. Duur genoeg om Engelse vrijgezellenfeesten te weren lijkt mij voldoende.

Daarmee kan ik me heel behoorlijk vinden in de lijn die is gekozen voor het nieuwe hotelbeleid: alleen nog hotels die waarde toevoegen aan de stad. Dennis Boutkan heeft daarbij  terecht aangedrongen op hoge eisen aan duurzaam en sociaal verantwoord ondernemen: goede stages en echte banen bijvoorbeeld, ook voor Amsterdammers met afstand tot de arbeidsmarkt. Daarnaast worden, mede op mijn dringende verzoek, grote delen van de stad aangewezen waar nieuwe hotelinitiatieven onder geen enkele voorwaarde meer in behandeling worden genomen. Dat schept duidelijkheid en daarmee creëer je ook ruimte voor andere ideeën.  De mogelijkheid van een hotel kan lang boven de markt hangen en andere ontwikkelingen verlammen.

De discussie over hotels is ingehaald door het fenomenale succes van AirBnB. De enorme impact daarvan heeft zelfs de meest fervente tegenstanders van short stay overvallen. Amsterdam kan het zich niet veroorloven om op deze schaal woonruimte te verliezen. Zelfs het sociale bindweefsel dreigt in sommige straten en buurten helemaal te verdwijnen. Het lijkt mij te optimistisch om te denken dat de huidige afspraken met AirBnB voldoende zijn om de schade in de hand te houden. De belangentegenstelling is te groot, de afspraken zijn onvoldoende transparant en er lijken, zoals Marjolein Moorman onlangs betoogde, nog genoeg mogelijkheden om de regels te omzeilen. Bovendien is AirBnB niet de enige aanbieder. Wat mij betreft worden de regels voor bemiddeling bij vakantieverhuur flink aangescherpt en gaan er bij de handhaving nog een paar scheppen bovenop.

De enorme druk op de stad gaat ook ten koste van de functiemenging. Steeds meer is het aanbod gericht op de bezoeker en de directe consumptie. De focus op het snelle geld gaat ten koste van de creativiteit. De markt maakt geen onderscheid tussen echt waarde creëren en alleen maar een graantje meepikken. Het oordeel wat van waarde is voor de stad kun je dus ook niet aan de markt overlaten (Over het marktfalen schreef ik in “de tragedie van de meent”). Wat mij betreft krijgen duurzame, creatieve, sociale en innovatieve ondernemers de ruimte. Voor ondernemers die niet verder komen dan het na-apen van de buurman hoeven wij ook ons best niet te doen. Als het stelselmatig opzoeken van de grenzen van de regels onderdeel van je businessplan is, dan wordt je, wat mij betreft, consequent op de huid gezeten met strikte handhaving.

Na lang aandringen, ik vroeg er voor het eerst om in 2014, ligt er nu eindelijk een inventarisatie van mogelijkheden om strakker te sturen op functiemenging. We kunnen meer dan gedacht (zoals brancheren) maar het is naïef om te denken dat we met een paar bestemmingsplanwijzigingen de wafelwinkels de stad uit kunnen bonjouren. Sterke ondernemingsverenigingen – vaak een BIZ – kunnen helpen om de kwaliteit en de functiemenging van winkelstraten te versterken. De positie van winkeliers ten opzichte van de vastgoedeigenaren zou versterkt moeten worden en het is dan ook treurig dat de Kamer van Koophandel die rol niet meer vervult. Ik denk ook dat het onvermijdelijk is om het horecabeleid op de schop te gooien, maar daar kom ik later nog wel eens op terug.

De toenemende drukte zien we allereerst op straat. Daar komen we elkaar tegen en daar zitten we elkaar steeds vaker in de weg. Deels gaat het daarbij om gebrek aan fysieke ruimte, deels om gedrag. Oplossingen vinden betekent dat ook Amsterdammers concessies moeten doen. Ik vind dat we moeten blijven kiezen voor de volgorde voetganger, fietser, openbaar vervoer, auto. Daar waar te weinig ruimte is voor voetgangers en fietsers moeten we ons wel af wie die voetgangers en fietsers eigenlijk zijn. Een Amsterdamse straat zonder Amsterdammers is voor mij ondenkbaar.

Op de weg creëren we ruimte door de touringcars naar de rand van de stad te verbannen en door het aantal taxi’s aan banden te leggen. Als autoparkeerplaatsen verdwijnen ontstaat ruimte voor voetgangers en ruimte om fietsen en scooters te parkeren. Wat mij betreft kan dat het best  door vrijkomende parkeervergunningen niet allemaal opnieuw ui te geven en zo het aantal parkeervergunningen geleidelijk te verminderen. De Marnixgarage en Vijzelgrachtgarage mogen gebouwd worden maar investeren in nog meer parkeergarages is zonde van het geld en duurt bovendien te lang.

Op de Wallen loopt het inmiddels behoorlijk uit de hand. Vroeg of laat zal de eis dat het gebied toegankelijk blijft voor ambulance en brandweer betekenen dat het gebied moet worden afgesloten voor meer bezoekers. Dan komt onvermijdelijk de principiële vraag op tafel wat zwaarder moet wegen: het publiek toegankelijk houden van de openbare ruimte of het handhaven van functies waarvan we weten dat ze (te) veel mensen naar het gebied trekken. De toegevoegde waarde van publieke toegankelijkheid en leefbaarheid van een van de mooiste stukken van Amsterdam lijkt mij uiteindelijk groter dan de waarde van de economische functies die in het gebied oververtegenwoordigd zijn.

In de toekomst zal de welvaart van Amsterdam worden bepaald door het vermogen om steeds nieuwe mensen duurzaam aan zich te binden. Vorig jaar nam de leefbaarheid in de binnenstad af en vertrokken er, voor het eerst sinds jaren, meer mensen dan erbij kwamen. Drukte is uiteindelijk een probleem dat zichzelf oplost maar het is ook de enige oplossing die we ons zeker niet kunnen permitteren.  De paradox van de ideale stad is geen luxeprobleem, maar een duivels dilemma.


Een eerdere versie van dit verhaal schreef ik om input te leveren voor de PvdA notitie “De paradox van de ideale stad” van Marjolein Moorman en Dennis Boutkan. 

Zelfbewust en met de blik op de toekomst

Zelfbewust en met de blik op de toekomst

16 jaar geleden stelde ik mij kandidaat voor de nieuwe deelraad Centrum. Ik herinner me nog goed dat we op 12 september 2001 een afdelingsvergadering hadden om over het verkiezingsprogramma te praten. Natuurlijk spraken we de dag na 9/11 lang over de aanslagen. Ik vond het bijzonder om die ervaring juist met mijn partijgenoten te delen.

Ik herinner me de Fortuynrevolte, de moord en de onvermijdelijke afstraffingen bij de verkiezingen in 2002. Natuurlijk herinner ik me de verbijstering, maar ook hoe trots ik was om juist in die tijd volksvertegenwoordiger te mogen zijn.

Soms heb ik het gevoel dat we al 16 jaar aan het discussiëren zijn over de vragen die toen op tafel werden gelegd. En ik heb het gevoel dat we in die discussie stukje bij beetje onszelf aan het verliezen zijn, onze waarden, ons zelfvertrouwen, onze geloofwaardigheid.

We hebben ons laten aanpraten, onszelf aangepraat, eigenlijk, dat wij onze politiek correcte kop in het polderzand hebben gestoken en dus verantwoordelijk zijn voor het multiculturele drama en dat wij, in ruil voor het pluche, onze ziel aan het neoliberalisme hebben verkocht en dus verantwoordelijk zijn voor … alles.

Het is onzin. Terwijl anderen nog bezig waren met “benoemen,” waren wij aan het investeren in de wijken waar de problemen echt speelde. En het was Melkert, of all people, die, jaren voor Fortuyn, de keerzijde van het neoliberalisme aan de kaak stelde – het egoïsme, de doorgeschoten marktwerking, de schaalvergroting.

We doen onszelf al zo lang zo ongelooflijk tekort en ik merk dat ik er klaar mee ben.

Zelfbewust en met de blik op de toekomst. Dat zou mijn PvdA zijn.

Zelfbewust omdat wat ons verbindt niet wezenlijk veranderd is en nu niet minder relevant is dan een eeuw geleden: de strijd voor een rechtvaardige en solidaire samenleving, de strijd tegen tweedeling en uitsluiting, de strijd tegen het onrecht van de dikste portemonnee, de grootste mond, of de juiste connectie. We hebben die strijd nooit verloochend en we zijn ook de verantwoordelijkheid nooit uit de weg gegaan. Ik ben daar trots op en dat zouden we allemaal moeten zijn.

Met de blik op de toekomst omdat we een progressieve partij zijn. Omdat we niet alleen onze verworvenheden in stand moeten houden of onze fouten moeten herstellen, maar omdat Amsterdam nog niet af is, nooit af zal zijn. Een paar voorbeelden:

De stad verandert maar het succes van de stad heeft een keerzijde. Ons ideaal van een ongedeelde stad dreigt verder uit het zicht te raken. Dat vraagt offers van hen die het meest hebben geprofiteerd van het succes en extra kansen voor hen die dat juist niet hebben gedaan.

De wereld verandert razendsnel. Het onderwijs moet onze kinderen voorbereiden op die verandering en onszelf ertegen wapenen. We zullen net zo hard moeten investeren in volwassenenonderwijs als in het voortgezet en basisonderwijs.

Ook de economie verandert. Als we de markt zijn gang laten gaan dan gaat de stad in de uitverkoop. Dat mogen we niet laten gebeuren. We moeten kiezen voor ondernemerschap en werkgelegenheid die waarde creëert en duurzaam waarde toevoegt.

En de democratie verandert. We moeten de Amsterdammers de macht over hun stad teruggeven. Amsterdammers moeten kunnen meedenken als we plannen maken, meebeslissen als we keuzes maken en meedoen als we aan het werk gaan.

Zelfbewust en met de blik op de toekomst. Daar wil ik jullie, de leden van mijn partij, van overtuigen en daarom wil ik mijzelf kandidaat stellen voor het lijsttrekkerschap van de Amsterdamse PvdA.

Niet de kiezer is gek

Niet de kiezer is gek

Van de politicoloog Tom van der Meer verscheen begin dit jaar het boek ‘Niet de kiezer is gek.’ Daarin beargumenteert hij dat (1) er in Nederland geen crisis van de democratie is, (2) politieke partijen verkrampt reageren op de emancipatie van de kiezer, (3) de ‘oplossingen’ waarmee gevestigde partijen hun positie proberen te beschermen een slecht idee zijn en (4) de bestuurscultuur in Nederland gemoderniseerd moet worden. De verkiezingen van afgelopen woensdag bevestigen aan alle kanten het gelijk van van der Meer. En niet alleen omdat een plurale democratie een effectieve bescherming biedt tegen het extremisme van de PVV.

Er zit een groot gat tussen het vertrouwen van de Nederlander in de democratie en hun vertrouwen in de politiek. Waar anderen in dat gat het bewijs zien van de democratische crisis, ziet van der Meer vooral kiezers die hun democratische taak serieus nemen. Het gaat om de toedeling van macht en een goede democraat hoort de politiek daarom niet te vertrouwen.

Ook de volatiliteit en versplintering van het politieke landschap wordt vaak aangevoerd als bewijs voor de democratische crisis. Volgens van der Meer is het precies omgekeerd: het is heel gemakkelijk geworden om in het kieshokje vrij nauwkeurig je onvrede te uiten. Daarmee wordt frustratie goed gekanaliseerd en daarom scoort Nederland in internationale vergelijkingen juist heel goed als het gaat om democratisch (en politiek!) vertrouwen.

Kiezers zijn niet irrationeel of wispelturig maar bewust bezig met een afweging die op hoofdlijnen consistent is maar wel iedere keer net anders kan uitvallen. Waar in het verzuilde Nederland nog in goed vertrouwen maar vrij gedachteloos iedere keer hetzelfde vakje werd roodgekleurd, wordt door assertieve kiezers nu gewikt, gewogen, geoordeeld en genadeloos afgerekend. Hoezo crisis?!

En dus kreeg de PvdA afgelopen woensdag op vernietigende wijze de rekening gepresenteerd voor … ja, voor wat eigenlijk?

Ik denk dat heel veel kiezers teleurgesteld, boos en cynisch zijn over de verbroken belofte om niet met de VVD te regeren. En terecht. Maar ik denk ook dat het oordeel over de regeringsperiode zelf veel genuanceerder is. De kiezers van de PvdA kozen immers voor verschillende andere partijen en moeten dus ook verschillende redenen hebben gehad om die keuze te maken.


Dit overzicht is gebaseerd op deze analyse van de NOS. Ik heb het aantal voor Denk moeten schatten. De schattingen zijn tot op een halve zetel nauwkeurig

De PvdA verloor 29 zetels. We zouden Jesse Klaver ernstig tekortdoen als we de winst van GroenLinks (6,5) alleen maar op het conto van een falende PvdA zouden schrijven. Ik vermoed dat veel mensen die overstapten naar D66 (5) vooral geen reden meer hadden om de strategische keus van vier jaar geleden te herhalen. Ik denk dat de overstappers naar de SP en de niet stemmers (samen 8,5) inderdaad ontgoocheld zijn over regeringsdeelname van de PvdA. De overstap naar Denk (2,5?) en de VVD en PVV (samen 4) hebben beiden te maken met onvrede, om precies tegenovergestelde redenen, over de PvdA standpunten over immigratie en integratie.

Brouw er maar chocola van.

Ik vind zelf de opkomst van Denk het meest relevant. In de tweede kamer is de impact nog redelijk beperkt. Voor de landelijke PvdA is het verlies aan GroenLinks, D66 en SP veel relevanter maar in de grote steden is Denk op dit moment, virtueel, nagenoeg even groot als de PvdA. Bij de verschuivingen tussen PvdA, GroenLinks en D66 is vooral sprake van electorale concurrentie en strijd op progressieve thema’s om de gunst van de hoogopgeleide, kosmopolitische stedeling. Ik lig er, eerlijk gezegd, niet wakker van als we die strijd zo nu en dan verliezen. Als echter opnieuw blijkt dat een grote groep kiezers uit de traditionele achterban van de PvdA geen vertrouwen meer heeft in de PvdA dan komt, volgens mij, ons bestaansrecht in het geding. Wij waren immers de partij die strijdt tegen tweedeling en uitsluiting en dus zou moeten opkomen voor de groepen die nu in het verdomhoekje zitten.

Dat we, uit angst om onze traditionele achterban nog verder van ons te vervreemden vooral de kool en de geit hebben proberen te sparen, is ons niet vergeven. Turkse en Marokkaanse Nederlanders hebben de meest effectieve manier gevonden om hun PvdA de wacht aan te zeggen. Met Tom van der Meer zeg ik: dat is geen crisis van de democratie, dat is een triomf van de democratie. We hebben nog 6 maanden om er een effectief antwoord op de vinden.