“In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten,” zei god tegen Adam nadat hij hem het paradijs had uitgebonjourd en hij bedoelde “het feest is voorbij, voortaan zul je moeten werken voor de kost.” Sindsdien vinden we het vanzelfsprekend dat werk vermoeiend, geestdodend of anderszins stomvervelend is. Nieuw is dat werk ook volstrekt overbodig kan zijn. Een verschijnsel dat in 2013 beschreven werd door de Amerikaanse antropoloog en Occupy-activist David Graeber in een essay getiteld On the phenomenon of Bullshit Jobs. Dat essay raakte een snaar, kreeg veel reacties en dus schreef Graeber er een boek over dat kortgeleden ook in een Nederlandse vertaling uitkwam.

Een Bullshit Job (onzinbaan) is een baan waarvan degene die hem heeft zelf zegt dat hij overbodig is. Soms gaat het om werk dat zo weinig om het lijf heeft dat niet duidelijk is waarom er een hele baan voor gecreëerd is; soms om werk waarvan het resultaat betekenisloos of zelfs negatief is; soms om werk dat niet overbodig is maar wel zou moeten zijn omdat het een probleem oplost dat veel makkelijker gewoon voorkomen had kunnen worden. Onzinbanen moeten overigens niet verward worden met slechte banen (shit jobs) vuil, zwaar en/of slecht betaald werk waarvan de waarde desalniettemin buiten kijf staat.

Over het aantal onzinbanen kun je behoorlijk van mening verschillen. Graeber zelf schermt met Engels en Nederlands onderzoek waarin rond de 40% (!) van de respondenten twijfelt aan het nut van hun eigen baan. Daar tegenover staat bijvoorbeeld dit onderzoek waar een percentage van rond de 5% uitkomt. Graeber doet nogal laconiek over deze onduidelijkheid en dat is teleurstellend want geen van de door hem geciteerde onderzoeken kan de wetenschappelijke toets van kritiek doorstaan, wat de onderbouwing van zijn standpunten niet ten goede komt. Daarbij helpt het niet dat Graeber vaak de verleiding niet kan weerstaan om banen die mensen zelf onzin vinden en banen die hij onzin vindt (bedrijfsjuristen en universiteitsbestuurders) op een hoop te gooien.

Hoe het ook zij, onzinbanen bestaan en dat is in strijd met hoe een kapitalistische vrije markt economie geacht wordt te werken. Die markt zou immers (per definitie) efficiënt zijn en dus geen geld verspillen aan banen die niets opleveren. Graeber komt met de interessante observatie dat we helemaal niet in een vrije markt economie leven. De hiërarchische bureaucratieën in bedrijven en bij de overheid hebben, volgens hem, juist veel meer weg van feodale stelsels waarin heersers zich laten omringen door een entourage waarvan de functie vooral lijkt te zijn om de macht en status van de heerser te bevestigen. De banalere verklaring is natuurlijk dat markten in theorie efficiënt zijn maar in de praktijk te maken hebben met monopolies, asymmetrische informatieposities, gebrek aan transparantie, incompetentie en regelrechte corruptie.

De maatschappelijke kosten van onzinbanen zijn hoog. Aan de ene kant halen mensen die hun eigen werk onzin vinden aanmerkelijk minder voldoening uit hun werk dan mensen die zeker weten dat ze iets nuttigs doen. Een onzinbaan is daarmee zo mogelijk nog schadelijker voor geestelijk en lichamelijk welbevinden dan een slechte of een zware baan. Aan de andere kant wordt veel geld uitgegeven dat nuttiger besteed zou kunnen worden aan zaken die wel waarde toevoegen. De vraag is dan ook waarom het probleem niet onderkend wordt en waarom het niet opgelost wordt?

Ik kan niet zo veel met Graebers cynische suggestie dat volledige werkgelegenheid, voor een groot deel bestaand uit onzinbanen, nou eenmaal de manier is waarop de elite het volk rustig houdt. Daar staat tegenover dat noch de politiek, noch de werkgevers, noch de vakbonden er belang bij hebben de huidige status quo ter discussie te stellen. Integendeel, links en rechts, werknemers en werkgevers zijn het over een ding eens: hoe meer banen, hoe beter.

Ongeacht de oorzaak, vertelt het bestaan van onzinbanen ons iets over de betekenis van werk en beloning. Wat opvalt is dat onzinbanen vaak goed betaald worden. Dat laat eens te meer zien dat er nauwelijks nog een relatie is tussen de beloning en de toegevoegde waarde van werk. De redenering wordt vaak omgekeerd: het werk wordt goed betaald en heeft dus, blijkbaar, toegevoegde waarde. Dat het daarbij zelden gaat om maatschappelijke waarde is des te schrijnender. Integendeel, het lijkt er op dat wanneer werk maatschappelijke waarde produceert (onderwijzers of verpleegkundigen, bijvoorbeeld) dat de beloning dan lager is omdat de voldoening van het doen van relevant werk geacht wordt op zichzelf al een beloning te zijn. Iemand die nu zegt “ja maar, maatschappelijke waarde is niet hetzelfde als financiële waarde,” zal moeten uitleggen waarom onzinbanen, die ook geen financiële waarde produceren, wel fatsoenlijk betaald kunnen worden.

Ik vind het opvallend hoezeer werken wordt ervaren als morele plicht. Sterker nog, ons welzijnsbegrip, ons idee over zelfredzaamheid en ons hele idee van kwaliteit van leven lijken gebaseerd op het hebben van een “betekenisvolle dagbesteding.” Het liefst betaald maar, desnoods, onbetaald. Ook Graeber verwijst naar de Calvinistische arbeidsethos en de nadruk die gelegd wordt op het idee dat juist het lijden het werk, en dus het leven, betekenis geeft. In het zweet uws aanschijns, et cetera.

Die morele plicht om te werken doet mij denken aan de morele plicht om je schulden te betalen. Daarover schreef Graeber het belangrijke boek met de toepasselijke titel Schuld, de eerste 5000 jaar. Daarin laat hij zien dat, lang voordat de mensheid geld ging gebruiken, er al sprake was van krediet en de morele verplichting om schulden te betalen. Hoe zwaar die morele verplichting weegt blijkt, onder andere, uit de etymologie van het woord schuld. De verplichting om een schuld (debt) terug te betalen is nauw verbonden met het idee dat iemand schuldig (guilt) kan zijn en daarvoor moet boeten.

Omdat schuld al bestond lang voordat er geld bestond en schuld uiteindelijk werd betaald door het leveren van arbeid had ik verwacht dat Graeber zelf ook de relatie zou leggen tussen de morele verplichting om je schulden te betalen en de verplichting om te werken. Dat doet hij niet en ik weet eigenlijk niet waarom niet. Misschien wel omdat de vergelijking zo voor de hand ligt dat Graeber het niet de moeite waard vond om hem uit te werken, vooral ook omdat het in de context van Bullshit Jobs best moeilijk is om recht te doen aan de breedte en diepte van Schuld.

Graeber eindigt zijn boek met een pleidooi voor het basisinkomen als oplossing voor het probleem van onzinbanen. Zijn idee is dat mensen die zich verzekerd weten van een inkomen er voor zullen passen om werk te doen dat zo onbevredigend is als een onzinbaan. Daarbij gaat Graeber wel erg makkelijk voorbij aan de relatief goede beloning van onzinbanen. Zo zullen mensen die nu kiezen voor een onzinbaan in plaats van een nuttige baan omdat het beter betaald wordt dat nog steeds doen als er een basisinkomen is. Blijkbaar is een onzinbaan werk dat sommigen willen doen en dat anderen willen dat gedaan wordt, ondanks het feit dat er geen waarde wordt gecreëerd. Dat is op zichzelf al een probleem en dat probleem wordt niet opgelost met een basisinkomen.

Ik heb overigens het idee dat het pleidooi voor het basisinkomen deels stuit op de morele plicht om te werken. Ook daarom zou ik het interessant vinden als de basis voor die morele plicht verder zou worden onderzocht.

Anders dan Schuld, de eerste 5000 jaar slaagt Bullshit Jobs beter als politiek pamflet dan als doorwrochte antropologische studie. Wat beide boeken gemeen hebben is dat ze je dwingen op een nieuwe manier naar arbeid en kapitaal, de fundamenten van onze liberale vrijemarkteconomie, te kijken. Hoewel, nieuw? Ik denk dat een aantal Marxisten daar anders over denken. Desalniettemin, zeker de moeite waard om te lezen.

Bullshit Jobs en Schuld, de eerste 5000 jaar worden in Nederland uitgegeven door Business Contact. Zelf las ik de Engelse uitgaven.

Foto by Arthena