Ik behoor tot de generatie sociaaldemocraten die zich ergens halverwege de jaren negentig bekeerde tot de Derde Weg. Als ik de kritiek mag geloven heb ik toen, in ruil voor het pluche, mijn ziel verkocht aan het neoliberalisme. De electorale slachting van de afgelopen 2 verkiezingen is slechts de ietwat verlate maar toch vanzelfsprekende, definitieve afrekening met een club die eigenlijk al sinds het afschudden van de ideologische veren moreel failliet is.

Sodemieter toch op.

Als we toch terugkijken, laten we dan beginnen in 1982. Nederland is na de stagnatie (stagflatie) van de jaren 70 in een diepe recessie terecht gekomen. De werkloosheid piekt op 9,0% (1983), de inflatie op 6,7% (1981) en het begrotingstekort op 5,9% (1982). Achter die kille cijfers gaat een mensonterende crisis schuil die in veel opzichten dieper is dan de crisis van 2008.

Met het Akkoord van Wassenaar bereiken werknemers en werkgevers, in 1982, overeenstemming over loonmatiging in ruil voor arbeidstijdverkorting.  De loon-prijs spiraal wordt doorbroken waarmee de basis voor het herstel in de decennia erna wordt gelegd. Het Akkoord gaat de geschiedenis in als de triomf van de Nederlandse polder. Onderhandelaar namens de FNV: Wim Kok.

Zo eensgezind als werkgevers en werknemers in de polder consensus smeden, zo gepolariseerd staan VVD en PvdA tegenover elkaar in de politiek. De grote graaiers tegenover de potverteerders en het CDA daar comfortabel tussen. Tot 1994 als, na bijna 80 jaar onafgebroken regeringsdeelname van de confessionelen en 3 kabinetten Lubbers, tegen heug en meug het eerste paarse kabinet van PvdA, VVD en D66 wordt geformeerd. De nieuwe premier: diezelfde Wim Kok.

Polderen wordt regeren. Voor het eerst nemen sociaaldemocraten en liberalen gezamenlijk verantwoordelijkheid voor het inrichten van de economie, het ordenen van de markt en het versterken van de verzorgingsstaat. En passant worden zaken als euthanasie en homohuwelijk geregeld. Het herstel in Nederland spreekt (internationaal) tot de verbeelding en het poldermodel krijgt een nieuwe naam: de Derde Weg

Mijn bekering begint met de nogal triviale constatering dat het geld dat we uitgeven aan de verzorgingsstaat eerst gewoon verdiend moet worden. Nederland had in de jaren 80 de verzorgingsstaat in stand gehouden door vrij achteloos de staatsschuld op te laten lopen en door op grote schaal gas uit de Groningse bodem te pompen. Beiden leken me, op termijn, geen houdbare oplossingen (en dat was nog voor de bevingen). Ik ben dan nog jong, dus juist die houdbaarheid gaat mij aan het hart. Daarbij past geen vanzelfsprekend wantrouwen jegens alles wat riekt naar ondernemers en ondernemerschap. Integendeel, mij lijken de belangen van werknemers, werkgevers en overheid in een complexe, snel veranderende samenleving zo met elkaar verweven dat er veel meer winst te behalen valt uit het overbruggen van tegenstellingen dan het uitvergroten ervan.

In 1995 schudt Wim Kok in zijn beruchte Den Uyl lezing een aantal ideologische veren af. Zes jaar na de val van de muur neemt de PvdA eindelijk definitief afscheid van de totalitaire verleiding van de socialistische heilstaat. Beter laat dan nooit, zou ik zeggen. Wars van al te ideologische vergezichten formuleert Kok bovendien een agenda voor de moderne sociaaldemocratie waarbij solidariteit, het bieden van gelijke kansen en het bestrijden van werkloosheid, ongelijkheid en armoede nog steeds gewoon centraal staan maar wel een praktische invulling krijgen. Ik ben definitief om.

Wim Kok is overigens geen gemakkelijke man om te bewonderen, laat staan een leider om lief te hebben – nurks, calvinistisch en zonder het charisma van een Clinton of Blair. Toch heb ik zelden zo overtuigd PvdA gestemd als bij de verkiezingen in 1998 en ik ben niet de enige. Aan de vooravond van een nieuw millennium zijn er veel redenen om optimistisch te zijn. In het voorgaande decennium is er een einde gekomen aan de koude oorlog en hebben steeds meer landen gekozen voor een democratische rechtsstaat en een vrije markt economie. Technologische veranderingen buitelen over elkaar heen, de welvaart stijgt naar ongekende hoogtes en het spook van de inflatie, de grote welvaartsvernietiger, lijkt definitief tot het verleden te behoren.

Maar, optimisme over de toekomst is niet hetzelfde als een politieke agenda voor de toekomst. Het tweede kabinet Kok komt niet verder dan doorgaan op de ingeslagen weg. Het neoliberalisme krijgt in Nederland (gelukkig) nauwelijks een voet aan de grond. Verder dan een paar halfhartige privatiseringen van staatsmolochs (PTT en NS) komt het niet. Het globalisme valt in vruchtbaarder aarde maar heeft ook hier een blinde vlek voor het eigen elitisme. De sociaaldemocratie worstelt ondertussen, dankzij de enorme welvaartsgroei en het succes van de emancipatieprojecten (arbeiders, vrouwen, lhbt’ers, minderheden), met de eigen relevantie. Dat de verdeling van de welvaart nogal scheef is en dat op het succes van de emancipatieproject behoorlijk wat valt af te dingen wordt eerder gezien als technisch probleem dan als ideologische uitdaging. Het is allemaal weinig inspirerend. De Fortuyn-revolte ziet niemand aankomen.

In de nadagen van Paars II is de sjeu er behoorlijk af. De dot-com bubble barst, op 11 september 2001 boren twee vliegtuigen zich in de torens van het World Trade Center in New York en op 6 mei 2002, 9 dagen voor de verkiezingen, wordt Pim Fortuyn vermoord. Tussen deze Gebeurtenissen, die onze samenleving op zijn grondvesten doen schudden, valt het nauwelijks op dat liberalen en sociaal democraten het weer als vanouds oneens zijn met elkaar.

De rest is geschiedenis.

Afgelopen zaterdag overleed Wim Kok. Mijn partij herdenkt het heengaan van een groot staatsman maar worstelt nog steeds met zijn ideologische erfenis. Daarmee doen we hem, en uiteindelijk ook onszelf, tekort. Ik denk dat Kok ons voorging in de zoektocht naar een moderne sociaal democratie, naar de invulling van solidariteit in een liberale vrije markteconomie en naar een eerlijkere verdeling van kennis, macht en inkomen in een pluriforme, democratische rechtsstaat. Kok zelf gebruikte daarvoor niet de term Derde Weg. Hij had het liever over het poldermodel en juist het poldermodel verdient eerherstel. We leven een tijd waar de roeptoeters van het eigen gelijk makkelijk 20 zetels kunnen halen maar niet veel meer – genoeg om een zwaar stempel op het publieke debat te drukken maar te weinig om ooit aangesproken te worden op het daadwerkelijk realiseren van je politieke agenda. We leven ook in een tijd waarin ieder compromis verdacht is en samenwerking met anderen eerder als verraad aan de eigen beginselen dan als morele plicht tot het nemen van verantwoordelijkheid wordt gezien. We leven, kortom, in een tijd waarin Wim Kok en zijn polder verschrikkelijk gemist worden.

Foto: Roland Gerrits / Nationaal Archief