Amsterdam is in veel opzichten een ideale stad: vrijzinnig, tolerant, sociaal en ondernemend met een prachtige, monumentale binnenstad, een rijk en divers aanbod aan voorzieningen en een unieke mix van wonen, werken en recreëren.  Een stad waar mensen graag willen wonen maar ook een stad die mensen graag komen bezoeken en dat is precies waar de aantrekkingskracht van Amsterdam zichzelf in de staart bijt. Zoals de oververhitte woningmarkt de gemengde stad onder druk zet, zo zet de enorme stroom toeristen en bezoekers de kwaliteit van leven en de functiemenging onder druk. Het is de paradox van de ideale stad: de aantrekkingskracht is van levensbelang voor een vitale, moderne wereldstad en tegelijkertijd is de enorme druk, die daar het gevolg van is, de doodsteek voor de leefbaarheid.

Het beeld van 25 miljoen bezoekers en toeristen die Amsterdam in 2025 zullen overspoelen is niet meer weg te denken uit de discussie over de toekomst van de stad. Maar juist de paradox maakt het probleem taai. De oplossing kan immers niet zijn dat we de ambitie van de ideale stad laten varen. Zo zijn er best kanttekeningen te maken bij het idee om bezoekers meer over de stad te spreiden, je creëert dan immers ruimte voor meer toeristen die toch ook allemaal naar het centrum willen. Het is echter onvoorstelbaar dat we stoppen met de investeringen die nodig zijn om bezoekers te spreiden: goed openbaar vervoer, aantrekkelijke voorzieningen en hoogwaardige openbare ruimte, juist buiten het Centrum. Dat zijn immers investeringen die allereerst de Amsterdammers zelf ten goede komen.

Dat de toenemende drukte een probleem is wordt inmiddels gelukkig vrij algemeen erkend en het College doet een aantal goede voorstellen om de problemen het hoofd te bieden: verhoging van de toeristenbelasting, minder nieuwe hotels en betere handhaving van illegale woningonttrekking. Maar, als we de koers willen bijstellen voordat de wal het schip keert, dan moeten we nog scherpere keuzes maken. Volgens mij moeten we ons daarbij in de allereerste plaats laten leiden door de vraag wat waarde toevoegt aan de stad.

Laten we duidelijk zijn: meer toerisme heeft te weinig toegevoegde waarde om op zichzelf na te streven. Het economisch rendement is laag en komt bijna uitsluitend ten goede aan de vastgoedeigenaren. Het maatschappelijk rendement is zo langzamerhand negatief. Daar staat tegenover dat veel andere vormen van kortdurend verblijf, van zakelijke bezoeker en congresganger tot expat en moderne high-tech nomade, wel zoveel waarde toevoegen aan de stad dat je er ruimte aan moet willen bieden. Bovendien past het niet bij onze partij om Amsterdam simpelweg onbetaalbaar te maken voor bezoekers. Duur genoeg om Engelse vrijgezellenfeesten te weren lijkt mij voldoende.

Daarmee kan ik me heel behoorlijk vinden in de lijn die is gekozen voor het nieuwe hotelbeleid: alleen nog hotels die waarde toevoegen aan de stad. Dennis Boutkan heeft daarbij  terecht aangedrongen op hoge eisen aan duurzaam en sociaal verantwoord ondernemen: goede stages en echte banen bijvoorbeeld, ook voor Amsterdammers met afstand tot de arbeidsmarkt. Daarnaast worden, mede op mijn dringende verzoek, grote delen van de stad aangewezen waar nieuwe hotelinitiatieven onder geen enkele voorwaarde meer in behandeling worden genomen. Dat schept duidelijkheid en daarmee creëer je ook ruimte voor andere ideeën.  De mogelijkheid van een hotel kan lang boven de markt hangen en andere ontwikkelingen verlammen.

De discussie over hotels is ingehaald door het fenomenale succes van AirBnB. De enorme impact daarvan heeft zelfs de meest fervente tegenstanders van short stay overvallen. Amsterdam kan het zich niet veroorloven om op deze schaal woonruimte te verliezen. Zelfs het sociale bindweefsel dreigt in sommige straten en buurten helemaal te verdwijnen. Het lijkt mij te optimistisch om te denken dat de huidige afspraken met AirBnB voldoende zijn om de schade in de hand te houden. De belangentegenstelling is te groot, de afspraken zijn onvoldoende transparant en er lijken, zoals Marjolein Moorman onlangs betoogde, nog genoeg mogelijkheden om de regels te omzeilen. Bovendien is AirBnB niet de enige aanbieder. Wat mij betreft worden de regels voor bemiddeling bij vakantieverhuur flink aangescherpt en gaan er bij de handhaving nog een paar scheppen bovenop.

De enorme druk op de stad gaat ook ten koste van de functiemenging. Steeds meer is het aanbod gericht op de bezoeker en de directe consumptie. De focus op het snelle geld gaat ten koste van de creativiteit. De markt maakt geen onderscheid tussen echt waarde creëren en alleen maar een graantje meepikken. Het oordeel wat van waarde is voor de stad kun je dus ook niet aan de markt overlaten (Over het marktfalen schreef ik in “de tragedie van de meent”). Wat mij betreft krijgen duurzame, creatieve, sociale en innovatieve ondernemers de ruimte. Voor ondernemers die niet verder komen dan het na-apen van de buurman hoeven wij ook ons best niet te doen. Als het stelselmatig opzoeken van de grenzen van de regels onderdeel van je businessplan is, dan wordt je, wat mij betreft, consequent op de huid gezeten met strikte handhaving.

Na lang aandringen, ik vroeg er voor het eerst om in 2014, ligt er nu eindelijk een inventarisatie van mogelijkheden om strakker te sturen op functiemenging. We kunnen meer dan gedacht (zoals brancheren) maar het is naïef om te denken dat we met een paar bestemmingsplanwijzigingen de wafelwinkels de stad uit kunnen bonjouren. Sterke ondernemingsverenigingen – vaak een BIZ – kunnen helpen om de kwaliteit en de functiemenging van winkelstraten te versterken. De positie van winkeliers ten opzichte van de vastgoedeigenaren zou versterkt moeten worden en het is dan ook treurig dat de Kamer van Koophandel die rol niet meer vervult. Ik denk ook dat het onvermijdelijk is om het horecabeleid op de schop te gooien, maar daar kom ik later nog wel eens op terug.

De toenemende drukte zien we allereerst op straat. Daar komen we elkaar tegen en daar zitten we elkaar steeds vaker in de weg. Deels gaat het daarbij om gebrek aan fysieke ruimte, deels om gedrag. Oplossingen vinden betekent dat ook Amsterdammers concessies moeten doen. Ik vind dat we moeten blijven kiezen voor de volgorde voetganger, fietser, openbaar vervoer, auto. Daar waar te weinig ruimte is voor voetgangers en fietsers moeten we ons wel af wie die voetgangers en fietsers eigenlijk zijn. Een Amsterdamse straat zonder Amsterdammers is voor mij ondenkbaar.

Op de weg creëren we ruimte door de touringcars naar de rand van de stad te verbannen en door het aantal taxi’s aan banden te leggen. Als autoparkeerplaatsen verdwijnen ontstaat ruimte voor voetgangers en ruimte om fietsen en scooters te parkeren. Wat mij betreft kan dat het best  door vrijkomende parkeervergunningen niet allemaal opnieuw ui te geven en zo het aantal parkeervergunningen geleidelijk te verminderen. De Marnixgarage en Vijzelgrachtgarage mogen gebouwd worden maar investeren in nog meer parkeergarages is zonde van het geld en duurt bovendien te lang.

Op de Wallen loopt het inmiddels behoorlijk uit de hand. Vroeg of laat zal de eis dat het gebied toegankelijk blijft voor ambulance en brandweer betekenen dat het gebied moet worden afgesloten voor meer bezoekers. Dan komt onvermijdelijk de principiële vraag op tafel wat zwaarder moet wegen: het publiek toegankelijk houden van de openbare ruimte of het handhaven van functies waarvan we weten dat ze (te) veel mensen naar het gebied trekken. De toegevoegde waarde van publieke toegankelijkheid en leefbaarheid van een van de mooiste stukken van Amsterdam lijkt mij uiteindelijk groter dan de waarde van de economische functies die in het gebied oververtegenwoordigd zijn.

In de toekomst zal de welvaart van Amsterdam worden bepaald door het vermogen om steeds nieuwe mensen duurzaam aan zich te binden. Vorig jaar nam de leefbaarheid in de binnenstad af en vertrokken er, voor het eerst sinds jaren, meer mensen dan erbij kwamen. Drukte is uiteindelijk een probleem dat zichzelf oplost maar het is ook de enige oplossing die we ons zeker niet kunnen permitteren.  De paradox van de ideale stad is geen luxeprobleem, maar een duivels dilemma.


Een eerdere versie van dit verhaal schreef ik om input te leveren voor de PvdA notitie “De paradox van de ideale stad” van Marjolein Moorman en Dennis Boutkan.